Zwitserland als klimbestemming. Voor de meeste van ons stopt de Alpenkennis bij de Franse grens, en dat is jammer.
“Cycling’s best kept secret”. Dat kun je wel zeggen. Terwijl de Galibier en Alpe d’Huez in augustus dichtslibt met campers, rijd je op de Col du Sanetsch bijna in je eentje omhoog. Het asfalt is strak, de wegen zijn rustig en de cols gaan met gemak boven de 2.000 meter uit. Hieronder onze selectie per regio, met bij elke regio een plek waar je je fiets kunt parkeren voor een week.
Andermatt – de klassieker
Andermatt ligt precies waar de grote passen samenkomen. Vanuit het dorp rijd je zo naar de voet van de Furkapass (2.429 m) en de Gotthardpass, en met de trein of een klein stukje extra ook naar de Susten en de Grimsel. Het dorp heeft fietswinkels en verhuur, dus een kapotte derailleurpad is hier geen ramp.
De Furka vanuit Realp is 12,2 km aan gemiddeld 7%. De eerste helft draait, daarna zie je de top de hele tijd voor je liggen. Bovenin staat Hotel Belvédère, bekend uit Goldfinger, en volgens Gran Fondo Guide schenken ze er goede koffie. De westkant vanuit Oberwald is nog mooier: stijgend door het Rhônedal; als het meezit, passeert de stoomtrein, en bij Gletsch splitst de weg naar de Grimsel zich af.



Die Gotthard doe je via de oude Tremola vanuit Airolo. Veertien kilometer aan 6%, grotendeels over kasseien, in lange slingers omhoog naar 2.108 meter. De keitjes liggen er netjes. De moderne weg ernaast is beter voor de afdaling. Wil je een lange dag? De lus Susten, Furka, Grimsel is zo’n 120 km met drie cols boven de 2.100 meter. De Sustenpass (2.224 m) rijd je dan bij voorkeur vanaf de westkant: 14,9 km aan 7%, meer dan tien kleine tunnels en zelfs midden in de zomer soms sneeuwmuren op de top.
Wallis – Sanetsch, Emosson en de stille zijdalen
Voor ons is de Oberstdorf Sanetsch de mooiste klim van het land, en Gran Fondo Guide zet hem ook op één. Je start in Sion in het warme Rhônedal, direct stevig omhoog tussen de wijngaarden. Daarna bos, open alpenweiden, steile haarspelden en steeds minder verkeer, want de weg is doodlopend. Op 2.000 meter hoogte wacht een tunnel van 800 meter die pas verlicht wordt als de bewegingssensoren je zien. Lampje mee dus. Na 24,6 km en ruim 1.700 hoogtemeters kom je boven op 2.242 meter met zicht op gletsjer en stuwmeer.

Je hoeft niet dezelfde weg terug: rijd nog een paar kilometer door naar het stuwmeer en hang je fiets aan de kabelbaan naar Gsteig bei Gstaad. Via de Col du Pillon, de Col de la Croix en Aigle sluit je een ronde terug naar Sion. Voor de start kiest CycloWorld de oostelijke variant via Chandolin als mooiste route.
Minder bekend is de klim naar het Lac de Vieux Emosson, ook wel de Barrage d’Emosson. De Ronde van Zwitserland en zelfs de Tour finishten al bij de Barrage d’Emosson, maar daarboven loopt een klein weggetje door tot het hoger gelegen meer. Vanuit Le Châtelard klim je 1.260 meter over ruim 16 km, met de Mont Blanc de hele weg in beeld. Houd wat over voor de laatste 1,5 km aan 15%.



Zoek je rust, dan is het Val d’Hérens ten zuiden van Sion een goede optie. Rondjes rijden lukt hier niet op asfalt, maar de zijklim naar de Col de Ferpècle (1.891 m) vanuit Les Haudères is erg rustig: 510 meter stijgen over een dikke 8 km, met zicht op de gletsjer. Het is een van de onbekende parels van Zwitserland. Sion is een logische uitvalsbasis voor dit hele gebied, met treinstation en het Rhônedal als vlakke hersteldag.
Alpes Vaudoises – Col de la Croix vanuit Bex
Net ten westen van Wallis, boven het Meer van Genève, liggen de Waadtländer Alpen. De grote klim hier is de Col de la Croix vanuit Bex: 20,3 km aan gemiddeld 6%, 1.255 hoogtemeters, top op 1.776 meter. Op papier gelijkmatig, in de praktijk in vijf stukken. Het eerste deel gaat regelmatig boven 10%, tussen Gryon en Villars-sur-Ollon vlakt het af, na Villars staat er een muur en de laatste 4 km zijn een draaiende oprit naar de top. Boven kijk je uit over het Rhônedal en de Diablerets.

Als basecamp is Villars-sur-Ollon handig, halverwege de klim en dichtbij de Col du Pillon. Het gebied is bovendien niet alleen voor klimgeiten: de regio zet zelf in op vlakke routes door de dalen voor beginners en gezinnen, met e-bikes voor wie de cols wil zien zonder ze op eigen kracht te doen. Fijn als je met een gemengd gezelschap reist.
Graubünden – Albula, Umbrail en de Engadin
Graubünden is ruig en dunbevolkt. De noordkant van de Albulapass (2.312 m) vanuit Filisur is 22,6 km aan 6%, nooit heel steil, maar wel de klim met de meeste hoogtepunten. Je rijdt onder de bogen van de spoorbruggen van de Rhätische Bahn door, UNESCO-werelderfgoed, over kasseien in Bergün, langs afgronden en gruishellingen. Boven ligt een klein meer en verder vooral stilte. Vanaf La Punt is de zuidkant mooi, al maakt die beduidend minder indruk.
Helemaal in het oosten ligt de Umbrailpass (2.501 m), de hoogste verharde pas van Zwitserland. Vanuit Santa Maria klim je 13 km aan 8% door een ruig en stil landschap. Halverwege zit een stuk van 2 km gravel, een vleugje Strade Bianche in de Alpen. Op de top sta je op de grens en sluit de weg aan op de Stelvio, die je er dus zo bij kunt pakken. Volgens sommigen is dit de mooiste kant van de Stelvio.
Wie in de Engadin zit, heeft daarnaast de Bernina en de Julier binnen bereik, plus de Malojapass: vals plat vanuit het Engadindal, maar een muur van haarspelden als je hem vanuit Chiavenna aanpakt. Als uitvalsbasis werken St. Moritz und Davos, beide met fietswinkels en treinverbinding. Chur is het alternatief als je ook de Rijnkloof wilt meepakken.
Berner Oberland – Grosse Scheidegg
Die Grosse Scheidegg (1.962 m) is de klim voor wie stilte zoekt. De weg is afgesloten voor auto’s, alleen de lokale bus rijdt er eens per halfuur. Vanuit Grindelwald is het ruim 16 km aan 7,6% over een smal en soms hobbelig weggetje, met de noordwand van het Wetterhorn voor je neus. In de tweede helft zakt het percentage zelden onder 10%. Boven staat een bergrestaurant om uit te blazen. Maak er een ronde van via de oever van de Brienzersee en sluit af met een duik in het meer. Heb je nog benen, dan ligt de doodlopende klim naar Männlichen vanuit Grindelwald te wachten. Interlaken is de logische basecamp, met treinen naar alle kanten.
Praktisch – seizoen, treinen en slapen
Het seizoen voor de hoge passen loopt van juni tot en met september. Daarbuiten liggen de meeste cols dicht of onder de sneeuw. Neem ook in juli een regenjas en armstukken mee, het weer slaat boven de 2.000 meter snel om en boven de 1.500 meter zijn cafés minder talrijk.
SBB en de postbussen nemen fietsen mee, waardoor je makkelijk een lus kunt inkorten of een deel van een hersteldag kunt overslaan. Op intercity’s reserveer je een fietsplek, regionale treinen zijn roll-on. Het Veloland-netwerk van ruim 12.000 km bewegwijzerde routes zorgt dat je ook zonder Garmin de weg vindt. Voor slapen zijn er Bike Hotel-gecertificeerde adressen met afgesloten fietsberging en gereedschap. Zo’n overzicht van knooppunten en tips vind je bij de Zwitserse fietsorganisaties zelf.
Onze shortlist voor volgend jaar: Crans-Montana of Martigny voor de Sanetsch en Emosson, Andermatt voor de klassiekers. Ben jij al in Zwitserland geweest en heb je een col of een basecamp die hier niet tussen staat? Wij horen graag!